Auto's:

Skoda Fabia: Automatische afstandsregeling (ACC) - Hulpsystemen - Rijden - Škoda Fabia - InstructieboekjeSkoda Fabia: Automatische afstandsregeling (ACC)

Skoda Fabia / Škoda Fabia - Instructieboekje / Rijden / Hulpsystemen / Automatische afstandsregeling (ACC)

Inleiding voor het onderwerp

De automatische afstandsregeling (hierna ACC) houdt de ingestelde snelheid en tegelijkertijd de afstand ten opzichte van voorliggers aan zonder dat het gaspedaal of het rempedaal hoeft te worden bediend.

Het gebied voor de wagen en de afstand tot de voor u rijdende voertuigen wordt door een radarsenor bewaakt .

De toestand waarbij de ACC de snelheid resp. afstand constant houdt, wordt hierna als regeling aangeduid.

ATTENTIE

  • De algemene aanwijzingen m.b.t. het gebruik van de hulpsystemen dienen in acht te worden genomen  in alinea Inleiding voor het onderwerp.
  • De bestuurder moet elk moment gereed zijn om de bediening van het gas- en rempedaal over te nemen.
  • De ACC reageert niet bij het naderen van een stilstaand obstakel (bv. de staart van een file, een voertuig met pech of een voor een verkeerslicht wachtend voertuig).
  • De ACC reageert niet op kruisende of tegemoetkomende objecten.
  • Als de vertraging van de ACC niet voldoende is, de wagen direct met het rempedaal afremmen.

 

ATTENTIE

De ACC uit veiligheidsoverwegingen niet in de volgende situaties gebruiken.

  • Bij het nemen van afritten op snelwegen of bij wegwerkzaamheden om zo een ongewenste acceleratie naar de opgeslagen snelheid te voorkomen.
  • Bij slecht zicht (bv. mist, stortregen, hevige sneeuwval).
  • Op slecht wegdek (bv. ijzel, gladde rijbaan, grind, onverhard wegdek).
  • Bij het rijden door "scherpe" bochten of op steile hellingen/afdalingen.
  • Bij het rijden door plaatsen waar zich metalen objecten bevinden (bv. metalen loodsen, spoorbanen en dergelijke).
  • Bij het rijden door ingedeelde gesloten ruimtes (bv. parkeergarages, veerboten, tunnels en dergelijke).

 

Let op

  • De ACC is met name bedoeld voor gebruik op snelwegen.
  • De ACC vermindert de snelheid door automatisch het gas los te laten resp.

    met een remingreep. Indien een automatische snelheidsvermindering met een remingreep plaatsvindt, gaat het remlicht branden.

  • Bij het uitvallen van meer dan één remlicht van de wagen of van een aangesloten aanhangwagen is de ACC niet beschikbaar.
  • De regeling wordt automatisch afgebroken bij een ingreep van remondersteunende hulpsystemen (bv. ESC) of bij het overschrijden van het maximaal toegestane motortoerental

Instellingen in het infotainment

In het infotainment in het menu de functietoets → Bestuurdershulpsysteem aantippen.

Werking

Display van het instrumentenpaneel:
 afb. 232 Display van het instrumentenpaneel: Voorbeelden van ACCmeldingen

Display van het instrumentenpaneel:
 afb. 233 Display van het instrumentenpaneel: Voorbeelden van statusindicaties van de ACC

De ACC biedt de mogelijkheid, een snelheid van 30 - 160 km/h alsmede de afstand tot voorliggers in te stellen.

De ACC kan met behulp van de radarsensor een voorligger op een afstand van circa 120 m herkennen.

ACC-meldingen afb. 232

  1. Voertuig herkend (regeling actief)
  2. Lijn die de verschuiving van de tussenliggende afstand bij het instellen aangeeft  Afstand instellen
  3. Ingestelde afstand ten opzichte van de voorligger
  4. Voertuig herkend (regeling inactief)

Statusindicaties van de ACC afb. 233

A Regeling inactief.

B Regeling actief - geen voertuig herkend.

C Regeling inactief - geen snelheid opgeslagen.

D Regeling actief - voertuig herkend.

Aanwijzing voor snelheidsverlaging

Als de vertraging van de ACC met betrekking tot een voorligger niet voldoende is, gaat in het instrumentenpaneel het controlelampje branden en op het display verschijnt de melding, om het rempedaal te bedienen.

Let op Enkele weergaven van de ACC op het display van het instrumentenpaneel kunnen door weergaven van andere functies worden afgedekt. Een ACC-weergave word bij een wijziging van de ACC-status automatisch kort weergegeven.

Automatisch wegrijden en stoppen

Wagens met automatische versnellingsbak kunnen met behulp van de ACC tot stilstand vertragen en weer in beweging komen.

Vertragen tot stilstand

Als een voor u rijdend voertuig tot stilstand vertraagt, vertraagt de ACC ook de eigen wagen tot stilstand.

Wegrijden na een stopfase

Indien het voor u rijdende voertuig direct na de stopfase weer in beweging komt, komt de eigen wagen ook in beweging en wordt de snelheid weer geregeld.

Bij een langere stopfase wordt de regeling automatisch onderbroken.

Bedieningsoverzicht

Bedieningshendel
 afb. 234 Bedieningshendel

Overzicht van de ACC-functies die met de hendel worden bediend afb.234

  1. ACC activeren (regeling inactief)
  2. Regeling starten (weer herstellen) / snelheid met sprongen van 1 km/h verhogen (tegen de veerdruk in)
  3. Regeling onderbreken (tegen de veerdruk in)
  4. ACC deactiveren
  5. Snelheid met sprongen van 10 km/h verhogen
  6. Snelheid met sprongen van 10 km/h verlagen

A Afstandsniveau instellen

B Regeling starten / snelheid in sprongen van 1 km/h verlagen

Indien de hendel vanuit de stand direct tegen de veerdruk in stand wordt gezet, wordt de actuele snelheid opgeslagen en de regeling gestart.

Regeling starten

Basisvoorwaarden voor het starten van de regeling

De ACC is geactiveerd.

Bij wagens met schakelbak is de tweede versnelling of een hogere versnelling ingeschakeld en de actuele snelheid is hoger dan 30 km/h.

Bij wagens met automatische versnellingsbak staat de keuzehendel in stand D/S of in de tiptronic-stand en de actuele snelheid is hoger dan 2 km/h.

Regeling starten

De ACC neemt de actuele snelheid over en start de regeling, in het instrumentenpaneel gaat het controlelampje branden.

Wordt de regeling gestart, doordat de hendel in de stand wordt gezet, en is er reeds een snelheid opgeslagen, dan neemt de ACC deze snelheid over en voert de regeling uit.

Let op Indien bij wagens met automatische versnellingsbak de regeling bij een snelheid van minder dan 30 km/h wordt gestart, wordt de snelheid van 30 km/h opgeslagen. De snelheid neemt automatisch toe tot 30 km/h resp. wordt geregeld aan de hand van de snelheid van de voorligger.

Regeling onderbreken/weer herstellen

Regeling onderbreken

De regeling wordt onderbroken, de snelheid blijft opgeslagen.

Regeling weer herstellen

Let op De regeling wordt eveneens onderbroken als het koppelingspedaal langer dan 30 s wordt ingetrapt of de ASR wordt gedeactiveerd.

Gewenste snelheid instellen/wijzigen

De gewenste snelheid wordt met de bedieningshendel ingesteld of gewijzigd afb. 234 op .

Snelheid in sprongen van 10 km/h instellen/wijzigen () - Voorwaarden

De ACC is geactiveerd.

Snelheid in sprongen van 1 km/h verhogen/verlagen () - Voorwaarden

De ACC is geactiveerd.

De wagen wordt geregeld.

Snelheid door het overnemen van de actuele snelheid wijzigen () - Voorwaarden

De ACC is geactiveerd.

De wagen rijdt met een andere dan de opgeslagen snelheid.

Let op

  • Indien tijdens de regeling de snelheid door het intrappen van het gaspedaal wordt verhoogd, wordt de regeling tijdelijk onderbroken. Na het loslaten van het gaspedaal wordt de regeling automatisch weer hersteld.
  • Indien tijdens de regeling de snelheid door het intrappen van het rempedaal wordt verlaagd, wordt de regeling onderbroken. De regeling moet opnieuw worden gestart om deze weer te herstellen .
  • Indien de wagen met een lagere dan de opgeslagen snelheid wordt geregeld, dan wordt door de eerste keer drukken op de toets de actuele snelheid opgeslagen, door opnieuw drukken op de toets wordt de snelheid in stappen van 1 km/h verlaagd.

Afstand instellen

De ACC biedt de mogelijkheid, vijf afstandsniveaus tot de voorligger in te stellen

De afstand is instelbaar binnen een bereik van 1 tot 3,6 seconden.

Afstand in het infotainment instellen

Afstand met de hendel instellen

Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de lijn 2 afb. 232 op , die de afstandsverschuiving weergeeft.

Let op Indien de afstand op het infotainment is gewijzigd, wordt de wijziging pas na aansluitende activering van de ACC merkbaar.

Bijzondere rijsituaties

In bochten
 afb. 235 In bochten / smalle of versprongen rijdende voertuigen

Verandering van rijstrook van andere voertuigen
 afb. 236 Verandering van rijstrook van andere voertuigen / stilstaande voertuigen

De volgende (en soortgelijke) rijsituaties vragen om bijzondere aandacht en zo nodig het ingrijpen van de bestuurder (remmen, gasgeven e.d.).

In bochten

Bij het in- of uitrijden van langgerekte bochten kan het gebeuren dat een op de naastgelegen rijstrook rijdende wagen in het door de radar gedetecteerde bereik terechtkomt afb. 235 - A. De eigen wagen wordt dan op basis van deze wagen geregeld.

Smalle of versprongen rijdende voertuigen

Een smal of versprongen rijdend voertuig kan pas door de ACC worden herkend, als het zich in het door de radar gedetecteerde bereik bevindt afb. 235 - B .

Verandering van rijstrook van andere voertuigen

Voertuigen die op korte afstand naar de eigen rijstrook wisselen afb. 236 - C, kunnen door de radarsensor niet altijd tijdig worden herkend.

Stilstaande voertuigen

De ACC herkent geen stilstaande objecten! Indien een door de ACC geregistreerd voertuig afslaat of uitwijkt en zich voor dit voertuig een stilstaand voertuig bevindt afb. 236 - D, reageert de ACC niet op dit stilstaande voertuig.

Voertuigen met bijzondere lading of speciale opbouwen

Lading of opbouwdelen van andere voertuigen die aan de zijkant, aan achterzijde of bovenzijde voorbij de voertuigcontouren steken, kan de ACC mogelijk niet herkennen.

Inhalen en rijden met aanhangwagen

Bij het inhalen

Indien de eigen wagen met een lagere dan de opgeslagen snelheid wordt geregeld en het knipperlicht wordt bediend, beoordeelt de ACC dit als de start van een inhaalmanoeuvre. De ACC versnelt de wagen automatisch en vermindert hierdoor de afstand ten opzichte van de voorligger.

Indien de wagen naar de linker rijbaan wisselt en er geen voorligger wordt herkend, accelereert de ACC tot de ingestelde snelheid en houdt deze constant.

Een acceleratie kan op elk moment door het intrappen van het rempedaal of het drukpunt op de bedieningshendel afb. 234 op  worden afgebroken.

Rijden met aanhangwagen

Bij het rijden met aanhangwagen of bij een andere op het aanhangwagenstopcontact aangesloten accessoire werkt de ACC-regeling met verminderde dynamiek.

Daarom dient de rijstijl hierop te worden aangepast.

Storingen

Als de ACC niet beschikbaar is, dan gaat op het display in het instrumentenpaneel het controlelampje branden en wordt een overeenkomstige melding weergegeven.

Sensor afgedekt/verontreinigd Als de sensor is afgedekt of verontreinigd, verschijnt er een melding dat er geen sensorzicht is. De sensor schoonmaken resp. het obstakel verwijderen .

ACC niet beschikbaar

Als de ACC niet beschikbaar is, dan verschijnt er een melding over de onbeschikbaarheid.

De wagen stoppen, de motor afzetten en weer starten. Is de ACC dan nog steeds niet beschikbaar, de hulp van een specialist inroepen.

ACC-storing

Bij een ACC-storing verschijnt een storingmelding. De hulp van een specialist inroepen.

Zie ook:

Renault Clio. Starten, stoppen van de motor

RENAULT card afstandsbediening Als u bent ingestapt, steekt u de RENAULT card met de geïntegreerde sleutel naar u toe gericht, zo diep mogelijk in de kaartlezer 2. Om te starten, drukt ...

Renault Clio. Lekke band, reservewiel

In geval van een lekke band Afhankelijk van de auto, beschikt u over een oppompset voor de banden of een reservewiel (raadpleeg de volgende bladzijdes). Auto met waarschuwing bij verlies van ba ...

Auto's: